Waarom ijs glad is: het eeuwenoude mysterie wordt eindelijk ontrafeld

9

Al meer dan twee eeuwen debatteren wetenschappers over de verrassend complexe reden waarom ijs glad is. Hoewel de aanwezigheid van een dunne waterlaag op het oppervlak universeel wordt aanvaard als de sleutel tot glijden of struikelen op bevroren oppervlakken, blijft waarom die laag ontstaat een punt van discussie. Recent onderzoek suggereert dat het antwoord misschien niet één enkel mechanisme is, maar een combinatie van factoren – of iets geheel nieuws dat we nog niet volledig hebben begrepen.

De al lang bestaande theorieën

De vroegste verklaring, die dateert uit het midden van de 19e eeuw, stelde dat druk door gewicht of beweging het smeltpunt van ijs verlaagt, waardoor een smerende waterfilm ontstaat. Hoewel ondersteund door experimentele gegevens, werd deze theorie later in twijfel getrokken toen berekeningen aantoonden dat het typische menselijke gewicht of de skisnelheden onvoldoende druk uitoefenen om significant te smelten.

Een tweede hypothese wees op wrijvingsverwarming. Wrijven tegen ijs genereert hitte, waardoor het oppervlak smelt. Deze verklaring houdt echter geen rekening met onmiddellijke gladheid: ijs voelt glad aan zelfs voordat beweging begint. Bovendien tonen onderzoeken aan dat materialen die warmte goed geleiden de gladheid verminderen, wat in tegenspraak is met het idee dat alleen warmte hiervoor verantwoordelijk is.

De derde belangrijke theorie betreft het voorsmelten van het oppervlak : het bestaan ​​van een natuurlijke dunne laag vloeibaar water op ijs, zelfs onder het vriespunt. Er wordt gedacht dat deze laag wordt gevormd omdat oppervlaktemoleculen minder strak gebonden zijn dan die in het bulkijs, waardoor ze mobieler worden. Het probleem: hoewel algemeen aanvaard, blijft de rol ervan bij gladheid onderwerp van discussie.

De nieuwste doorbraak: amorfisatie

Recent onderzoek van de Universiteit van Saarland suggereert dat geen van de bovenstaande theorieën het fenomeen volledig kan verklaren. In plaats daarvan stellen ze een proces voor dat amorfisatie heet. Dit houdt in dat de geordende kristalstructuur van ijs mechanisch wordt verstoord door te glijden, waardoor een ongeordende, vloeistofachtige laag ontstaat.

Experimenten tonen aan dat zelfs bij extreem lage temperaturen, waar het smelten minimaal is, ijs glad blijft. Dit suggereert dat structurele veranderingen – en niet alleen temperatuurgedreven smelten – een rol spelen. Uit de simulaties van het team blijkt dat glijdende krachten het ijsoppervlak vervormen, waardoor een amorfe laag ontstaat die bij voortdurende beweging dikker wordt. Deze vervorming is vooral uitgesproken wanneer materialen met een sterke aantrekkingskracht op water over het ijs glijden.

Het pad voorwaarts: een gecombineerde aanpak

De huidige consensus onder onderzoekers verschuift naar een gecombineerd begrip: druk, wrijving en voorsmelten dragen allemaal tot op zekere hoogte bij. De ontdekking van amorfisatie benadrukt echter de mogelijkheid dat mechanische verstoring een cruciale rol speelt, vooral in koudere omstandigheden.

Het aanhoudende meningsverschil kan voortkomen uit verschillende terminologie en een onwil om openlijk te debatteren over tegenstrijdige standpunten binnen de wetenschappelijke gemeenschap. Zoals Daniel Bonn, een natuurkundige aan de Universiteit van Amsterdam, opmerkt: “Het feit dat ijsonderzoekers verschillende en tegenstrijdige meningen hebben, maar elkaar niet echt vertellen dat ze het niet met elkaar eens zijn” kan de vooruitgang belemmeren.

Uiteindelijk lijkt het glibberige mysterie van ijs opgelost te zijn. Een holistisch begrip dat mechanische vervorming naast thermische effecten omvat, zal waarschijnlijk de meest nauwkeurige verklaring opleveren.